Duits pensioen slechts belastbaar voor zover premies zijn aftrokken.

De Hoge Raad oordeelt dat het Duitse pensioen niet volledig is belast in Nederland. Het hof heeft terecht slechts rekening gehouden met een belastbaarheid van 45% van de uitkeringen, aansluitend bij de in het verleden afgetrokken premies. (ECLI:NL:HR:2026:961).

Wat waren de feiten?

X heeft tussen 1980 en 1997 in Duitsland gewoond. In 2018 woont hij in Nederland en ontvangt hij uitkeringen uit een Duitse Rentenversicherung (pensioen). Hiervoor heeft hij in Duitsland premies betaald. De premies voor dit pensioen zijn in Duitsland slechts voor 45% aftrekbaar. Over het overige deel van de premies is in Duitsland belasting geheven. Op grond van artikel 17 van het belastingverdrag met Duitsland is het heffingsrecht toegewezen aan Nederland

Nu X in 2018 uitkeringen ontvangt uit het pensioen, stelt hij dat Nederland geen inkomstenbelasting mag heffen over het deel van de uitkeringen, waarvoor geen recht op aftrek bestaat in Duitsland. De inspecteur weigert de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ten aanzien van het deel van de uitkering waarvoor geen aftrek is genoten.

Wat zeg het Hof Arnhem-Leeuwarden?

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat geen inkomstenbelasting kan worden geheven over het deel van het pensioen waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Volgens het hof moet op grond van art. 3.82 onderdeel b Wet IB 2001 een splitsing plaatsvinden: de uitkeringen uit het Duitse pensioen zijn belast in box 1 voor zover zij voortkomen uit het gedeelte van de aanspraak dat voortvloeit uit in Duitsland aftrekbare premies, en voor het overige deel is de aanspraak een box 3-bezitting. De staatssecretaris gaat in cassatie.

Wat zegt de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelt dat het Duitse pensioen niet volledig is belast in Nederland. Het hof heeft terecht slechts rekening gehouden met een belastbaarheid van 45% van de uitkeringen, aansluitend bij de in het verleden afgetrokken premies. De Hoge Raad verwerpt daarbij het beroep van de staatssecretaris op het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 1994. Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht opgemerkt dat dit arrest betrekking had op een belastingjaar waarin art. 3.82 Wet IB 2001 nog niet gold.

De stelling dat sprake is van een tweedepijlerpensioen, en dat de uitkeringen daarom hebben te gelden als aangewezen periodieke publiekrechtelijke uitkeringen ex art. 3.100 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001, wordt ook door de Hoge Raad verworpen. Het hof is er namelijk terecht vanuit gegaan dat tussen partijen niet in was dat het Duitse pensioen is gebaseerd op een pensioenregeling als bedoeld in art. 1.7 lid 2 onderdeel c Wet IB 2001. Gelet op de rangorderegeling is dan art. 3.82 Wet IB 2001 van toepassing en wordt niet meer toegekomen aan toepassing van art. 3.100 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond.

CONTACT

Maassluisstraat 2
1062 GD Amsterdam
Postbus 117
2000 AC Haarlem

© Team Vervoort
iban NL12INGB0686017269
bic INGBNL2A
kvk Haarlem 34171025