Wetsvoorstel werkelijke rendement box 3 naar de Raad van State

De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Van Rij van Financiën ingestemd met het aanbieden van het wetsvoorstel Wet werkelijke rendement box 3 voor advies aan de Raad van State. Met het wetsvoorstel stelt het kabinet voor om vanaf 2027 een nieuw stelstel voor de belastingheffing in box 3 in te voeren. Belastingplichtigen betalen alleen belasting over wat zij daadwerkelijk hebben verdiend met hun vermogen.

In dit wetsvoorstel bestaat het werkelijk rendement bestaat uit het directe rendement, zoals rente, huur en dividend met aftrek van kosten. Daarnaast bestaat het behaalde rendement ook uit indirect rendement, de positieve of negatieve waardeontwikkeling van bijvoorbeeld aandelen of vastgoed. De waardeontwikkeling wordt in principe jaarlijks belast met een vermogensaanwasbelasting. Alleen de waardeontwikkeling van onroerende zaken en aandelen in start-ups wordt pas belast bij verkoop met een vermogenswinstbelasting. Als sprake is van een verlies, dan mogen de verliezen verrekend worden met box 3-inkomen uit toekomstige jaren.

In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodig dan in het huidige forfaitaire stelsel. Er zal gebruik worden gemaakt van gegevens van Nederlandse financiële ketenpartners, zoals banken, beleggingsinstellingen en verzekeraars. Hierbij kan gedacht worden aan rente op bankrekeningen en schulden, ontvangen dividend en vermogensaanwas van publiek verhandelbare aandelen en obligaties. Van de ongeveer 4,1 miljoen belastingplichtigen met een inkomen in box 3 hebben ongeveer 2,5 miljoen alleen bank- en spaartegoeden of een beleggingsrekening. Voor hen blijft de aangifte inkomstenbelasting vooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig. Dat lukt echter niet van alle gegevens, bijvoorbeeld bij de inkomsten en kostenaftrek van onroerend goed, waardering en rendement van niet-beursgenoteerde aandelen en inkomsten van buitenlands vermogen. Daarmee nemen de administratieve lasten van een deel van de belastingplichtigen toe.

In het wetsvoorstel is ook opgenomen hoe de belasting over onroerende zaken in box 3 wordt berekend. Daarvoor geldt een vermogenswinstbelasting. Dit betekent dat bij indirect rendement de waardeontwikkeling wordt belast gedurende de periode dat belastingplichtigen de onroerende zaken bezit. Bij directe rendement wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën.

  1. Als een onroerende zaak minimaal 90% van het jaar verhuurd wordt, zijn de huurinkomsten belast en de jaarlijkse onderhoudskosten aftrekbaar;
  2. Als een onroerende zaak het hele jaar niet wordt verhuurd, dan wordt het directe rendement berekend via een vastgoedbijtelling (2,65% over de WOZ-waarde);
  3. Bij gemengd gebruik wordt gekeken naar de hoogte van de huurinkomsten en naar de hoogte van de vastgoedbijtelling. Het hoogste bedrag wordt belast.

Het doel is het nieuwe wetsvoorstel per 1 januari 2027 in te voeren. Door het starten van de adviesaanvraag kan het nieuwe kabinet een snelle start maken met het invoeren van het nieuwe stelsel. Als het advies is ontvangen van de Raad van State kan het nieuwe kabinet beslissen of het wetsvoorstel, al dan niet in gewijzigde vorm, in wordt gediend bij de Tweede Kamer.

Bron: TaxLive 20 juni 2024

Box 3 heffing en het werkelijke rendement, hoe nu verder? (Aangevuld met de arresten van 14 juni 2024)

Inleiding

In de 6 juni 2024 arresten[1] heeft de Hoge Raad aangegeven dat de box 3 heffing in de jaren 2017 tot en met 2024-2026[2] in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de bescherming van het eigendomsrecht in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij dat verdrag. Als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement dan dient de belastingheffing aan te sluiten bij dit werkelijke rendement. De Hoge Raad heeft in de 6 juni arresten aangegeven hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden. Hierbij heeft de Hoge Raad zoveel mogelijk aangesloten bij het rendementsbegrip van de huidige box 3 heffing.

Bepaling werkelijke rendement volgens de regels van de Hoge Raad

Bij de vaststelling van het werkelijke rendement dient uw gehele vermogen (dus met inbegrip van banktegoeden) in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen. Het gaat om het nominale rendement, dus zonder rekening te houden met inflatie. Met het positieve of negatieve rendement in andere jaren wordt geen rekening gehouden. Dat sluit aan bij het stelsel van forfaitaire heffing in box 3.

Het werkelijke rendement omvat niet alleen voordelen die uit vermogensbestanddelen worden getrokken, zoals rente, dividend en huur, maar ook positieve en negatieve waardeveranderingen van die vermogensbestanddelen. Ook ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het werkelijke rendement. Er wordt geen rekening gehouden met de gemaakte kosten. De financieringskosten van de schulden komen wel in mindering op het werkelijke rendement. Het gaat hierbij om alle mutaties gedurende het gehele kalenderjaar. Dus veranderingen na 1 januari tellen mee voor de berekening van het werkelijke rendement.

Van jaar tot jaar dient dus beoordeeld te worden of dit werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Ieder jaar opnieuw kan er gekozen worden. Is in enig jaar het werkelijke rendement hoger dan het forfaitaire rendement dan wordt de box 3 belasting berekend over het forfaitaire rendement. Dit forfaitaire rendement is over de jaren 2021 tot en met 2024 als volgt bepaald[3]:

2021 2022 2023 2024 2025
I. Banktegoeden 0,01% 0,00% 0,92% 1,03% p.m.
II. Overige bezittingen 5,69% 5,53% 6,17% 6,04% 5,88%
III. Schulden 2,46% 2,28% 2,46% 2,74% p.m.

Openstaande vragen bij de bepaling van het werkelijke rendement

Een aantal vragen zijn door de Hoge Raad nog niet beantwoord, zoals:

  • Vormt het eigen gebruik van een vakantie woning-tweede woning, die niet verhuurd wordt, ook een inkomen dat in box 3 wordt belast? (Of te wel hoe wordt het privégebruik berekend?). Zie latere arrest van 14 juni 2024 dat hieronder besproken wordt.
  • Wat is het genietingsmoment van box 3 inkomen? Er zijn banken die de rente 2023 betalen in 2024. Is dit nu inkomen in 2023 of 2024? Wat als bijvoorbeeld de huur voor een recreatiewoning vooruitbetaald wordt in december voor het volgende kalenderjaar?
  • Hoe dient het jaarlijks ongerealiseerde rendement van woningen en overig vastgoed berekend te worden. Een vergelijking met de WOZ-waarden (woningen) of taxatiewaarden? Andere vragen die in dit kader gesteld kunnen worden:
    • Wat zijn de gevolgen bij aankoop van vastgoed voor koopprijs (inclusief overdrachtsbelasting) lager dan de WOZ-waarde?
    • Wat zijn de gevolgen als in bestaand vastgoed geïnvesteerd wordt (bijvoorbeeld verduurzaming, dus verbeteringskosten en geen onderhoud) en de “boekwaarde” stijgt boven de WOZ-waarde?

Beantwoorden vragen door de Hoge Raad over de bepaling van het werkelijke rendement bij een leegstaande woning in Nederland

Op 14 juni 2024[4] heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over een buitenlands belastingplichtige met een woning in Nederland. Deze woning werd alleen privé gebruikt, er waren geen huuropbrengsten, enkel kosten. De vraag was dan wat is het werkelijke rendement? De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij de berekening van dit rendement de WOZ-waarden aan het begin en het einde van het jaar met elkaar vergeleken moeten worden. Dit past, aldus de Hoge Raad, in het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. De zaak is verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze waarde mutaties te bepalen.

Bepaling van het werkelijke rendement van een woning in het buitenland (Frankrijk)

In dit arrest van 14 juni 2024[5] was er sprake van een binnenlands belastingplichtige met een woning in Frankrijk. Kennelijk was er alleen sprake van eigen gebruik. In cassatie ging het om de vraag of de kosten van de woning in Frankrijk in mindering gebracht konden worden op het werkelijke rendement. De Hoge Raad verwees hierbij naar zijn uitspraak van 6 juni jl. zodat de kosten niet aftrekbaar waren.

Verder vond de Hoge Raad dat partijen geen belang hadden bij het antwoord op de vraag hoe het eigen gebruik van deze woning berekend zou moeten worden. Het Hof dat dit eigen gebruik op nihil gewaardeerd (ook was er kennelijk geen sprake van waardeveranderingen van dit Franse vastgoed). De Hoge Raad gaf aan dat een eventueel in aanmerking te nemen voordeel wegens eigen gebruik van het onroerend goed in Frankrijk, op grond van het belastingverdrag met Frankrijk, leidt tot een vermindering van de belasting in box 3. Deze vermindering leidt tot dezelfde uitkomst als het voordeel eigen gebruik op nihil wordt gesteld. Dit is het gevolg van het feit dat belastingtarief in box 3 geen progressie kent, het tarief is niet afhankelijk van de hoogte van het vermogen. Het progressievoorbehoud in het belastingverdrag met Frankrijk sorteert dus geen effect.

Voorlopige conclusie berekening privégebruik 2e woningen

Uit de bovengenoemde arresten zou geconcludeerd kunnen worden dat het privégebruik op nihil gesteld kan worden. Het werkelijke rendement bestaat dan alleen uit waarde mutaties. Deze mutaties worden berekend aan de hand van de WOZ-waarden aan het begin-en einde van het betreffende kalenderjaar.

Wat houdt het rechtsherstel in?

De Hoge Raad bepaalt dat het rechtsherstel moet inhouden dat de belastingaanslag zo ver wordt verminderd, dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement. Het is aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Als de belastingheffing over dit werkelijke rendement hoger is dan behoeft er geen bezwaar gemaakt te worden. De forfaitaire heffing is dan automatisch van toepassing.

Actie

Zodra de aanslag definitief wordt vastgesteld (met box 3 inkomen) en wij hiervan een kopie ontvangen in ons aangifte systeem dan sturen wij u een kort memo. Hierin staat vermeld hoe hoog het box 3 inkomen is en hoeveel belasting u hierover verschuldigd bent. De volgende stap is dan het beoordelen of het werkelijke rendement (zoals de Hoge Raad dat gedefinieerd heeft) lager is dan het forfaitaire rendement. In samenspraak met u wordt bepaald of een bezwaarschrift, in te dienen binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag, zinvol is.

[1] ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:705

[2] Aangezien het kabinet heeft voorgesteld om met ingang van 1 januari 2027 het werkelijke rendement te gaan belasten zal naar alle waarschijnlijk het forfaitaire stelsel tot en met 2026 blijven gelden.

[3] Het percentage voor banktegoeden en schulden 2024 zijn door de belastingdienst ingeschat. De verwachting is dan deze eind februari 2025 bekend zijn. Het percentage overige bezittingen 2025 is officieus bepaald

[4] ECLI:NL:HR:2024:857

[5] ECLI:NL:HR:2024:860

Box 3 heffing en het werkelijke rendement, hoe nu verder?

Inleiding

In de 6 juni arresten[1] heeft de Hoge Raad aangegeven dat de box 3 heffing in de jaren 2017 tot en met 2024-2026[2] in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de bescherming van het eigendomsrecht in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij dat verdrag. Als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement dan dient de belastingheffing aan te sluiten bij dit werkelijke rendement. De Hoge Raad heeft in de 6 juni arresten aangegeven hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden. Hierbij heeft de Hoge Raad zoveel mogelijk aangesloten bij het rendementsbegrip van de huidige box 3 heffing.

Bepaling werkelijke rendement volgens de regels van de Hoge Raad

Bij de vaststelling van het werkelijke rendement dient uw gehele vermogen (dus met inbegrip van banktegoeden) in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen. Het gaat om het nominale rendement, dus zonder rekening te houden met inflatie. Met het positieve of negatieve rendement in andere jaren wordt geen rekening gehouden. Dat sluit aan bij het stelsel van forfaitaire heffing in box 3.

Het werkelijke rendement omvat niet alleen voordelen die uit vermogensbestanddelen worden getrokken, zoals rente, dividend en huur, maar ook positieve en negatieve waardeveranderingen van die vermogensbestanddelen. Ook ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het werkelijke rendement. Er wordt geen rekening gehouden met de gemaakte kosten. De financieringskosten van de schulden komen wel in mindering op het werkelijke rendement. Het gaat hierbij om alle mutaties gedurende het gehele kalenderjaar. Dus veranderingen na 1 januari tellen mee voor de berekening van het werkelijke rendement.

Van jaar tot jaar dient dus beoordeeld te worden of dit werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Ieder jaar opnieuw kan er gekozen worden. Is in enig jaar het werkelijke rendement hoger dan het forfaitaire rendement dan wordt de box 3 belasting berekend over het forfaitaire rendement. Dit forfaitaire rendement is over de jaren 2021 tot en met 2024 als volgt bepaald[3]:

2021 2022 2023 2024 2025
I. Banktegoeden 0,01% 0,00% 0,92% 1,03% p.m.
II. Overige bezittingen 5,69% 5,53% 6,17% 6,04% 5,88%
III. Schulden 2,46% 2,28% 2,46% 2,74% p.m.

Openstaande vragen bij de bepaling van het werkelijke rendement

Een aantal vragen zijn door de Hoge Raad nog niet beantwoord, zoals:

  • Vormt het eigen gebruik van een vakantie woning-tweede woning, die niet verhuurd wordt, ook een inkomen dat in box 3 wordt belast? (Of te wel hoe wordt het privégebruik berekend?)
  • Wat is het genietingsmoment van box 3 inkomen? Er zijn banken die de rente 2023 betalen in 2024. Is dit nu inkomen in 2023 of 2024? Wat als bijvoorbeeld de huur voor een recreatiewoning vooruitbetaald wordt in december voor het volgende kalenderjaar?
  • Hoe dient het jaarlijks ongerealiseerde rendement van woningen en overig vastgoed berekend te worden. Een vergelijking met de WOZ-waarden (woningen) of taxatiewaarden? Andere vragen die in dit kader gesteld kunnen worden:
    • Wat zijn de gevolgen bij aankoop van vastgoed voor koopprijs (inclusief overdrachtsbelasting) lager dan de WOZ-waarde?
    • Wat zijn de gevolgen als in bestaand vastgoed geïnvesteerd wordt (bijvoorbeeld verduurzaming, dus verbeteringskosten en geen onderhoud) en de “boekwaarde” stijgt boven de WOZ-waarde?

Wat houdt het rechtsherstel in?

De Hoge Raad bepaalt dat het rechtsherstel moet inhouden dat de belastingaanslag zo ver wordt verminderd, dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement. Het is aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Als de belastingheffing over dit werkelijke rendement hoger is dan behoeft er geen bezwaar gemaakt te worden. De forfaitaire heffing is dan automatisch van toepassing.

Actie

Zodra de aanslag definitief wordt vastgesteld (met box 3 inkomen) en wij hiervan een kopie ontvangen in ons aangifte systeem dan sturen wij u een kort memo. Hierin staat vermeld hoe hoog het box 3 inkomen is en hoeveel belasting u hierover verschuldigd bent. De volgende stap is dan het beoordelen of het werkelijke rendement (zoals de Hoge Raad dat gedefinieerd heeft) lager is dan het forfaitaire rendement. In samenspraak met u wordt bepaald of een bezwaarschrift, in te dienen binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag, zinvol is.

[1] ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:705

[2] Aangezien het kabinet heeft voorgesteld om met ingang van 1 januari 2027 het werkelijke rendement te gaan belasten zal naar alle waarschijnlijk het forfaitaire stelsel tot en met 2026 blijven gelden.

[3] Het percentage voor banktegoeden en schulden 2024 zijn door de belastingdienst ingeschat. De verwachting is dan deze eind februari 2025 bekend zijn. Het percentage overige bezittingen 2025 is officieus bepaald

Uitspraak Hoge Raad box-3 heffing van 6 juni 2024

Hoge Raad: box 3-heffing nog steeds discriminerend

Onderstaande tekst is ontleend aan het persbericht van de Hoge Raad op 6 juni 2024. In de week van 10 juni zal Team Vervoort een vervolg bericht plaatsen waarin wordt aangegeven hoe nu verder!

Neemt de Wet rechtsherstel box 3, ook wel Herstelwet genoemd, de verdragsinbreuk weg die in de box 3-uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 is geconstateerd? De Hoge Raad oordeelt van niet. De voor de Nederlandse inkomstenbelastingheffing in box 3 toepasselijke wetgeving schendt nog steeds het verdragsrechtelijke discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht in de gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. In een aantal uitspraken van vandaag geeft de Hoge Raad nadere regels voor de berekening van dat werkelijke rendement en voor het rechtsherstel dat moet worden geboden in gevallen waarin het verdragsrecht is geschonden.

Wat voorafging

Het oorspronkelijke box 3-regime (2017)
Het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3, zoals dat oorspronkelijk met ingang van 1 januari 2017 gold, kwam erop neer dat het voordeel uit sparen en beleggen werd belast op basis van een fictief (forfaitair) rendement dat was gebaseerd op gemiddelde rendementen en uitging van een fictieve beleggingsmix. Hierdoor werd geen rekening gehouden met de werkelijke samenstelling van het vermogen van de belastingplichtige in box 3, en ook niet met het rendement dat de belastingplichtige in werkelijkheid op dat vermogen had behaald.

De uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021
Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad beslist dat dit stelsel een inbreuk vormt op het discriminatieverbod in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de bescherming van het eigendomsrecht in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij dat verdrag. Zo’n inbreuk doet zich voor in de gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement.

De Hoge Raad vond van belang dat het toenmalige stelsel een verhoudingsgewijs zware financiële last verbond aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen.

De Hoge Raad heeft verder beslist dat het stelsel bovendien een relatief ongelijke behandeling creëert binnen de groep van belastingplichtigen die wel overgaan tot risicovol beleggen van hun vermogen, omdat deze belastingplichtigen werden geconfronteerd met een belastbaar fictief rendement dat was gebaseerd op het gemiddelde rendement op risicovolle beleggingen, ongeacht de mate waarin zij in werkelijkheid wel of niet succesvol waren.

De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 24 december 2021 tot slot geoordeeld dat rechtsherstel (compensatie) moet worden geboden voor zo’n verdragsinbreuk. In het geval dat in deze uitspraak aan de orde was, heeft de Hoge Raad dat gedaan door alleen het werkelijke rendement (in dat geval: ontvangen rente) in de heffing te betrekken.

De Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet)

Naar aanleiding van de uitspraak van 24 december 2021 is de Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet) in werking getreden. Die wet is bedoeld om, met terugwerkende kracht, de inkomstenbelastingheffing in box 3 over de jaren 2017 tot en met 2022 in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021.

Ook de Herstelwet gaat uit van een forfaitair berekend rendement, dus niet van het werkelijke rendement. Met de Herstelwet heeft de wetgever wel beoogd het werkelijke rendement beter te benaderen dan in de oorspronkelijke regeling. Zo wordt op grond van de Herstelwet tot op zekere hoogte rekening gehouden met de samenstelling van het vermogen van de belastingplichtige. Dat gebeurt door het vermogen onder te verdelen in drie categorieën: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Elk van de drie categorieën kent een eigen percentage van het forfaitaire rendement. Het percentage voor banktegoeden was in 2017: 0,25%. Dat is lager dan het percentage voor overige bezittingen (in 2017: 5,39%). De berekening van dit laatste percentage stemt overeen met de berekening van het forfaitaire rendement van beleggingen onder het in 2017 ingevoerde stelsel. Het percentage is gebaseerd op een fictieve mix van verschillende soorten beleggingen, en gaat uit van gemiddelde rendementen op die soorten beleggingen.

De zaken

In een aantal zaken waarin de Hoge Raad vandaag uitspraak heeft gedaan, is de vraag aan de orde of de Herstelwet de verdragsinbreuk wegneemt die in de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 is geconstateerd. In twee van de zaken gaat het om een geschil over het aandeel van een echtpaar in de reserves van drie verenigingen van eigenaren en of voor die aandelen het forfaitaire rendement geldt voor banktegoeden of voor overige bezittingen. In een aantal zaken doet zich de vraag voor wat onder ‘werkelijk rendement’ valt en of het werkelijke rendement nog van belang is na de inwerkingtreding van de Herstelwet. Verder is in enkele zaken de vraag aan de orde of het rechtsherstel ook moet inhouden dat bij een teruggaaf van inkomstenbelasting rente wordt vergoed.

In de eerste twee zaken adviseerde advocaat-generaal Wattel de Hoge Raad op 1 september 2023 (zaaknummers 23/00653 en 23/00654 (verwijst naar een andere website)), in de andere zaken adviseerde advocaat-generaal Pauwels de Hoge Raad op 22 december 2023 (zaaknummer 23/00771 (verwijst naar een andere website) en 23/00989 (verwijst naar een andere website)) en op 9 februari 2024 (zaaknummer 22/04676 (verwijst naar een andere website)).

Oordeel Hoge Raad

Ook de Herstelwet is discriminerend
Volgens de Hoge Raad lost de berekening van het forfaitaire rendement op grond van de Herstelwet het in de uitspraak van 24 december 2021 gesignaleerde probleem doorgaans op voor mensen die niet risicovol beleggen voor zover hun vermogen bestaat uit banktegoeden. Het forfaitaire rendement voor banktegoeden benadert namelijk in de regel het werkelijke rendement.

Dat ligt anders voor belastingplichtigen met overige bezittingen, dus voor mensen die overgaan tot het risicovol beleggen van hun vermogen. Het forfaitaire rendement daarvan wordt onder de Herstelwet namelijk op dezelfde wijze berekend als onder het oorspronkelijke stelsel. Daarmee blijft voor alle andere bezittingen dan banktegoeden onverminderd het probleem bestaan dat voor de Hoge Raad in de uitspraak van 24 december 2021 een reden was om een inbreuk op verdragsrecht aan te nemen, namelijk dat een relatief ongelijke behandeling optreedt binnen de groep van deze belastingplichtigen, al naar gelang zij meer of minder succesvol zijn met hun beleggingen. Dit is een ongelijkheid die zich binnen deze groep van beleggers in betekenende mate voordoet, aangezien individuele afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde rendement bij beleggingen waarop risico wordt gelopen per definitie optreden en bovendien aanzienlijk kunnen zijn. Aldus treedt ook in de nieuwe berekening onder de Herstelwet een aanmerkelijk verschil in behandeling op tussen succesvolle en minder succesvolle beleggers.

Dit verschil in behandeling wordt niet gerechtvaardigd door de belangen die de wetgever met de invoering van de Herstelwet heeft willen dienen. Die stemmen namelijk in belangrijke mate overeen met de belangen die de wetgever heeft willen dienen met het oorspronkelijke stelsel, en die de Hoge Raad in de uitspraak van 24 december 2021 al onvoldoende vond als rechtvaardigingsgrond.

De Hoge Raad is daarom van oordeel dat ook het stelsel van de Herstelwet in strijd is met het discriminatieverbod in combinatie met de bescherming van het eigendomsrecht in gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Het maakt daarvoor niet uit hoe groot het verschil is tussen het forfaitair bepaalde rendement en het werkelijke rendement.

Het voorgaande geldt ook voor de op 1 januari 2023 in werking getreden Overbruggingswet box 3. Deze wet sluit zoveel mogelijk aan bij de Herstelwet, komt daarvoor in de plaats en is bedoeld als overbrugging voor de periode totdat in box 3 een nieuw stelsel is ingevoerd dat is gebaseerd op het werkelijke rendement.

Werkelijk rendement
Met het oog op de rechtseenheid en rechtszekerheid heeft de Hoge Raad in een aantal uitspraken van vandaag regels gegeven voor de berekening van het werkelijke rendement. Daarbij heeft de Hoge Raad zoveel mogelijk aangesloten bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3.

Bij de vaststelling van het werkelijke rendement dient het gehele vermogen (dus met inbegrip van banktegoeden) van de belastingplichtige in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen. Het gaat om het nominale rendement, dus zonder rekening te houden met inflatie. Met het positieve of negatieve rendement in andere jaren wordt geen rekening gehouden. Dat sluit aan bij het stelsel van forfaitaire heffing in box 3.

Het werkelijke rendement omvat niet alleen voordelen die uit vermogensbestanddelen worden getrokken, zoals rente, dividend en huur, maar ook positieve en negatieve waardeveranderingen van die vermogensbestanddelen. Ook ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het werkelijke rendement. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het forfaitaire stelsel in box 3 wordt met kosten geen rekening gehouden, maar wel met rente van schulden die tot het vermogen in box 3 behoren.

Rechtsherstel
Een inbreuk op het discriminatieverbod in het EVRM en het eigendomsrecht in het EP vindt dus plaats in gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. In die gevallen moet rechtsherstel worden verleend. In die zin had de Hoge Raad al beslist in de uitspraak van 24 december 2021. De Hoge Raad bepaalt nu dat dit rechtsherstel moet inhouden dat de belastingaanslag zo ver wordt verminderd, dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement. Het is aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.

Bij de vermindering van de aanslag wordt op grond van de Nederlandse fiscale wetgeving geen rente vergoed door de Belastingdienst. Als regel is dat volgens de Hoge Raad niet in strijd met het EVRM. Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bestaat voor een uitzondering op deze regel slechts aanleiding in gevallen waarin het bedrag van de wettelijke rente meer is dan het bedrag van de belastingvermindering in box 3. In andere gevallen hoeft geen rente te worden vergoed, aldus de Hoge Raad.

Publicatie op rechtspraak.nl

22/04676 – ECLI:NL:HR:2024:704 (verwijst naar een andere website)

23/00653 – ECLI:NL:HR:2024:705 (verwijst naar een andere website)

23/00654 – ECLI:NL:HR:2024:771 (verwijst naar een andere website)

23/00771 – ECLI:NL:HR:2024:756 (verwijst naar een andere website)

23/00989 – ECLI:NL:HR:2024:813

CONTACT

Kenaustraat 1
2011 MV Haarlem
Postbus 117
2000 AC Haarlem

© Team Vervoort
iban NL12INGB0686017269
bic INGBNL2A
kvk Haarlem 34171025